Nieuw in de Fotogalerij

Inloggen

Voor een aantal items op deze internetsite o.a. plaatsen van een foto in de fotogalerij, dient u zich te registreren.






Wachtwoord vergeten?
Nog geen account? Maak er één aan!

Bezoekers

We hebben 5 gasten online
Het ABC van het kunstaasvissen (7)
woensdag 07 december 2005


Op het moment dat ik met dit artikel begin, speelt meer de vraag: “Wat voor weer zal het zijn en welk kunstaas zal ik dit keer de hoofdrol laten spelen.” Ach, dat maakt niet uit want met het kunstaas uit dit artikel kan men zowel in de zomer als winter snoeken vangen, alleen is de manier van aanbieden dan ietwat anders. Ik ga het over twee kunstaasvormen hebben en dat zijn allereerst de lepel die de meeste aandacht krijgt en ook wil ik nog wat, heel summier, vertellen over de het zachte kunstaas dat onze voorzitter al eerder besproken heeft, de shad.

De oervorm van het kunstaas.
Ik heb heel wat boeken die over kunstaas en het vissen ermee van doen hebben. Als het gaat over het ontstaan van kunstaas, en dan vooral de lepel, zijn er heel wat variaties op het in het water laten vallen van een lepel en dan zien hoe een grote snoek, musky of lake trout deze zinkende, schommelende lepel tussen de kaken neemt. Ik neem deze verhalen met een paar korreltjes zout, feit is echter wel dat de lepel al heel lang gebruikt wordt en ik er over kan lezen in visboeken die meer dan 200 jaar oud zijn. Eigenlijk is het ook een heel eenvoudige constructie, een blad met een bepaalde welving waardoor het een schommelende beweging in het water krijgt, met boven aan een oogje met of zonder splitring en wartel, en onderaan een splitring met dreg en klaar is een heel goede roofvisvanger. Ik heb nog niets gezegd over het materiaal en dat is meestal een van de vele soorten metaal, doch het kan ook een natuurlijk product zoals paarlemoer en zelfs hout zijn.



Lepels vind je in vele soorten, maten, gewichten en noem maar op en ze vangen allemaal, hoewel het ene model meer geschikt is voor stromend en diep water en de andere juist weer voor ondiep en stilstaand water. Ik durf te stellen dat ik duizenden en nog eens duizenden snoeken met een lepel gevangen heb. En toch... toch is de lepel het type kunstaas dat ik gedurende een visjaar maar mondjesmaat gebruik. Deze uitspraak lijkt in tegenspraak met die duizenden snoeken die ik er mee gevangen heb. Misschien is het zelfs wel zo dat de lepel procentueel het hoogste scoort als het om aantallen door mij gevangen snoeken per type kunstaas gaat. En dan toch er maar minimaal mee vissen, hoe zit dat?

Heel eenvoudig, in Nederland en andere Europese landen vis ik maar heel weinig met de lepel maar in Canada echter is de lepel het allerbeste vangende kunstaas. Echt, de dagen dat ik 100 snoeken en meer per dag met de lepel ving, zijn niet op de vingers van een paar handen te tellen. Ik heb al vaak geschreven dat het basisgedrag van de snoek in alle 19 landen waar ik ze gevangen heb, hetzelfde is en waarom dan toch zo weinig met de lepel in ons eigen land gevist? Waarschijnlijk toch een kwestie van meer vertrouwen in spinners, jerkbaits en pluggen dan in die eenvoudige lepel. Ook denk ik dat in mijn vaak troebele kleipolderwater de andere kunstaasvormen meer trillingen produceren en dus beter vangen dan de lepel.

Blijft dan nog over het feit dat het werpen met lichte lepels, een must in ondiep water, op dagen met veel wind, en die zijn er in de herfst en winter toch nogal vaak, de nodige problemen oplevert. Hoewel, ik denk diep in mijn hart dat de lepel hier in ons land gewoon een ondergewaardeerd stukje kunstaas is en als je er echt gemotiveerd mee gaat vissen en mee blijft vissen, je goede resultaten zult boeken.Tot zover een vrij lange inleiding over een van de hoofdrolspelers in dit artikel en laten we nu eens even naar de praktijk van het vissen met een lepel kijken.

De juiste lepel om mee te vissen.
Als ik naar de verzameling lepels in mijn viskoffers kijk, verbaas ik me toch weer over het enorm grote assortiment. Er zijn lepels van een paar gram maar ook lepels van meer dan 100 gram. Er zijn lepeltjes die maar 2 cm groot zijn, maar ook exemplaren van 20 cm. En wat te denken van lepels die flinterdun zijn en zich in iedere gewenste vorm laten buigen en lepels die dusdanig dikbladig zijn dat ze echt als een baksteen naar de bodem zakken. De kunst is nu om uit deze rijstebrij van lepels het juiste model te selecteren voor het viswater waar men vist.


“De auteur heeft, vooral in Canada, al heel wat lepelsnoeken gevangen”

Op diep water en in een snelstromende rivier zal men een zwaardere lepel moeten gebruiken dan in een ondiepe, stilstaande poldersloot. Het is immers nog altijd de juiste presentatie van het kunstaas die maakt dat we roofvis vangen. En geloof me, die goede presentatie heb je niet als je met een superlichte, breedbladige lepel die slecht zinken wil, gaat vissen in een snel stromende rivier waar de roofvis juist in de diepe gaten ligt. Als je met een smalle zware lepel in een ondiepe plantsoenvijver gaat vissen, zul je ook meer bodem en rommel dan snoek vangen. Het is een beetje moeilijk om precies aan te duiden welke verhoudingen van vorm, bladbreedte, dikte en gewicht van een lepel passen bij de diepte van het water waar je vist.

Ik heb vroeger Kees Ketting wel eens horen vertellen dat voor de polderwateren de ideale lepel net zoveel grammen zou moeten wegen als de lepel in centimeters lang is. Waarschijnlijk gaat deze aanbeveling wel op voor vrij breedbladige lepels maar niet voor slankere modellen. Ik denk dat we gewoon ons nuchtere verstand moeten gebruiken en niet te zware lepels voor ondiep stilstaand water nemen en naarmate het viswater dieper wordt of er meer stroming staat, zwaardere exemplaren in moeten zetten.

Je kunt de diepgang van de lepel zelf behoorlijk beïnvloeden en ik zal enkele voorbeelden geven. Als je tijdens het ingooien de beugel van de molen al sluit en begint te draaien op het moment dat de lepel het water raakt, krijgt deze minimale tijd om naar de bodem te zakken.
Daarentegen kun je de lepel juist wel diep vissen door na het inwerpen de beugel open te laten en de lepel een aantal seconden, afhankelijk van de gewenste diepte, te laten zinken.
Als je dan langzaam binnen draait met de hengeltop naar beneden gericht, zal de lepel dieper zijn verleidelijke actie blijven vertonen dan wanneer je met de hengeltop omhoog sneller je lepel binnenvist.

Ik hoop dat de lezers nu ook meteen begrijpen dat je door met je hengeltop omhoog en omlaag te laten wijzen en sneller en langzaam de molenslinger rond te draaien, je een afwisselende en voor veel roofvis onweerstaanbare actie aan je lepel geeft. Welke beweging het beste is, kan ik hier slechts verklaren door te stellen dat de visser die vangt op dat moment gelijk heeft en hoe meer je varieert, de groter de kans op succes.

Dat we voor kleine lepeltjes een lichtere combinatie van spinhengel, molen en lijn inzetten dan bij echt zware lepels, moge na de voorgaande afleveringen van dit ABC duidelijk zijn. Ik geloof niet dat het zin heeft om iedere maand de basisbegrippen te herhalen, dus daarom over naar wat praktijk en ook het noemen van een aantal goede lepels.


"Van klein tot heel groot"

Namen noemen en kleur bekennen
Mijn allereerste lepels waarmee ik snoek ving, waren eigen fabrikaat en ik maakte ze van de bladen van oude spinners, vooral van het geribbelde blad van de Abu Reflex spinner. Dat was een heel eenvoudig klusje. Je boorde op de onderkant van dit spinnerblad nog een gaatje en monteerde daar een splitring met dreg. Vaak zette ik dan in het bovenste gat, dus waarmee het spinnerblad aan het ruitertje vast gezeten had, ook een splitring met wartel en ik had een heel lichte lepel waarmee ik vooral in het destijds heldere water van de Eilandspolder snoek ving.
Ging ik met ditzelfde stukje huisvlijt naar de bruggen over de Beemster ringvaart, ving ik vooral baars en ik weet van ook nog een kleine snoekbaars, een unicum 40 jaar geleden.

Daarna is het een hele tijd stil geweest met mijn lepelvisserij in Nederland. Ik begon er pas weer mee toen de eerste brede Pako lepels op de markt kwamen en in die periode was ik ook zeer tevreden met de originele Profi Blinker lepels die qua actie en vorm heel veel op die van Paul Korver, nu snapt men de naam Pako wel, leken. Ik denk niet dat men van elkaar heeft afgekeken want deze oervorm van een eivormige lepel was er al heel lang.

Een andere vorm die nog altijd goed vangt is het schoenlepel model zoals we dat van de Heintz lepel kennen. Trouwens, deze vorm kreeg diverse namen. In Amerika heeft men het over de z.g. Doctor spoon en kom je in Scandinavië kennen ze deze lepel vooral onder de naam Professor en is Kuusamo Uistin uit Finland de bekendste producent. Ik heb met genoemde modellen in heel wat landen leuke roofvissen gevangen en gebruikte ze ook om te trollen achter de boot. Een van de problemen die ik met deze manier van vissen wel heb ondervonden is dat er bepaalde modellen lepels zijn die totaal ongeschikt zijn om te trollen omdat ze in een mum van tijd je lijn geweldig laten kinken.

Dat loste ik dan weer op dat speciale lepels om te trollen te bestellen bij een van de bekendste Amerikaanse producenten van lepels: Eppinger Mfg Co. Waarschijnlijk zegt deze naam de lezers niets, maar als ik vertel dat ze als bijna 90 jaar de wereldberoemde Dardevle lepels maken, gaat er een lichtje branden.Ze maken lepels in vele modellen, maten en kleuren en wie er van plan is om in Canada op snoek te gaan vissen, doet er goed aan het grote assortiment eens goed te bestuderen.

De allerbeste lepel, en echt daar zijn alle vrienden en kennissen die ook in Canada visten het roerend over eens, is de Mepps Syclops 3 die 26 gram weegt en waarvan het blad 9 cm lang en 2,5 cm breed is. Het is vooral de golving van het blad dat voor een prima actie zorgt. Als ik maar een soort kunstaas mee mocht nemen naar Canada, was het deze altijd vangende lepel.Voor het mooie is hij net even te zwaar voor het spinnen in de polder, maar... het goede nieuws dat ik hier min of meer exclusief kan melden, is dat er nu ook net door Mepps USA een Mepps Syclops Light op de markt gebracht is en ik de afgelopen week een paar monsters gekregen heb om te testen.


“Ook roofblei pakt soms graag een goed geviste lepel”

Deze Mepps Syclops is er niet alleen in heel veel verschillende kleuren maar ook nog in kleinere maten en ik heb horen vertellen dat de maat 1 die 12 gram weegt, een roofblei verleider van de eerste orde is.De meeste lepels zijn voorzien van een, en soms zelfs 2, dreggen maar er is ook een groep lepels die slechts een enkele haak bezit en die haakpunt is dan ook nog vaak beschermd door een metalen veertje. Dit zijn de z.g. anti-wier lepels en de Johnson Minnow Spoon is de meeste bekende. Je mag dan wel wat aanbeten missen omdat het inhakingsvermogen van deze vrij dikke enkele haak die aan de binnenkant van de lepel gesoldeerd is, stukken kleiner is dan dat van een goede dreg, maar toch, er is geen beter kunstaas om dwars door een bed fonteinkruid, waartussen altijd snoeken liggen, te vissen zonder planten te vangen.

Ik zou nog veel kunnen vertellen over grote en kleine, zware en lichte, zilveren en gouden lepels, maar doe het niet omdat ik beloofd heb nog iets over shads te vertellen.

De slappe hap
Bovenstaande kop wordt nogal eens door insiders gebruikt om de categorie zacht plastic kunstaas mee aan te duiden. En of het nu gaat om de zacht plastic imitatie van een aasvisje, zoals bij de shad, of natuurgetrouwe nabootsingen van kikkers, kreeften, salamanders, bloedzuigers, inktvisjes of garnalen, we kunnen het allemaal onderbrengen onder deze “slappe hap” verzamelnaam. Mister Twister was een van de allereerste producenten van deze zwabberstaarten, tegenwoordig gewoon twisters genoemd, en in de laatste 30 jaar is het assortiment van zacht plastic kunstaas enorm, maar dan in een over-overtreffende trap, uitgebreid en zien we vaak door de bomen het bos niet meer.

Het heeft ook dit keer geen zin om uit de doeken te doen hoe je een garnaal aan licht materiaal op de juiste manier aan baars of forel presenteert of hoe hard je moet varen als je met een 20 cm plus shad trolt. Dat zijn zaken die iedere sportvisser zelf mag bepalen op de dag dat hij met genoemd kunstaas gaat vissen. Nee, ook hier ga ik vooral de nadruk leggen op het inzetten van de juiste combinatie per type viswater.


“Vooral snoekbaars wordt veel met shads belaagd”

Eigenlijk is het zo eenvoudig als het maar zijn kan: op ondiep stilstaand water gebruiken we loodkoppen of loodverzwaring die veel en veel minder zwaar zijn dan wanneer we in de wintermaanden op diep water in de buurt van de kop van de verschillende roofvissen die we willen vangen proberen te komen. Als ik zie dat er hier bij mij in de polder gastvissers komen die met relatief kleine shads van zeg 12 cm maar gemonteerd op een zware loodkop van 25 gram, willen gaan vissen, schud ik mijn hoofd.

Ze hebben dan een loodkop van 7 tot 10 gram meer dan genoeg en minder mag zelfs ook. Een gewonde of zieke aasvis zakt ook niet als een baksteen naar de bodem maar zweeft langzaam zinken en soms weer omhoog zwemmend door het water. Welnu, probeer dat gedrag over te brengen op een schommelende shad die lekker met zijn staart kwispelt en die je door dat weinige lood ook tergend langzaam binnen vissen kan. Natuurlijk, er zijn momenten dat het geen kwaad kan je shad wat sneller te laten zwemmen, maar dat kan ook met licht lood. Er zijn vele hoofdstukken van boeken, bosjes artikelen in hengelsportbladen en niet te vergeten de nodige videofilms over de juiste shads in allerlei kleuren en maten geschreven en gefilmd.

Je kunt er haast alles mee doen!
Ja, of het nu om het werpend vissen vanaf de kant of vanuit de boot gaat, het verticalen op een diepe plas, kilometers lang trollen met of zonder planeerbordje op een diep of ondiep kanaal of het diagonaal binnenvissen langs een onderwater eiland, het kan met shads en ander zacht plastic kunstaas. Als je heel duur wilt doen, zeg je dat dit zachte kunstaas multifunctioneel is.Ik ken visvrienden die het liefst met niets anders dan shads in alle vormen, kleuren en maten vissen maar ik ken er ook die het maar niets vinden en liever met plug en spinner vissen.

Smaken verschillen nu eenmaal en dat zal altijd wel zo blijven. Als er een categorie kunstaasvissers is die ik deze “slappe hap” kan aanbevelen dan is het wel de jeugd die net begint met het vissen met kunstaas. Er zijn meerdere reden waarom ik ze aanraad met shads, en ik gebruik die naam nu vooral als verzamelnaam voor al die zacht plastic dingen, te starten.
Allereerst is het stukken goedkoper dan jerkbaits en pluggen van gerenommeerde merken. Echt waar, het op de bodem parkeren van een paar shads heeft minder negatieve financiële consequenties dan van een Rapala, Manns of Storm pluggen om maar een paar bekende namen te noemen.


“Anne met een schilderachtig mooie vis”

Zinkende jerkbaits kosten nog enkele euro’s meer en ze vangen echt niet altijd zoveel beter dan de goedkope shads. Verder is het zo dat je echt geen speciale baitcaster met dure reel hoeft aan te schaffen, met ieder doorsnee spinhengel en dito molen kun je deze shads uitwerpen en binnenvissen. Wil je meer gericht op baars en snoekbaars vissen, kun je kiezen uit een enorm assortiment klein zacht plastic kunstaas dat er zo lekker uitziet dat je er zelf zo ik zou willen bijten. Zelden zag ik betere levensechte imitaties op kunstaasgebied.

Er zijn shads van 20 cm en meer en die vormen een prima hap voor grote snoeken en ook heel wat kanjersnoekbaarzen hebben zich bezondigd aan het aanvallen van deze smakelijke hap.
Ik noemde het woord snoekbaars en wie had 10 jaar terug ooit kunnen bedenken dat het verticalen met dit zachte spul zo’n geweldige vlucht zou nemen? Waarschijnlijk niemand want verder er niet verteld dat snoekbaars heel slecht aan kunstaas te vangen was. Ik ben blij dat ik niet de vissers die meer dan 100 snoekbaarzen, waaronder wel veel klein spul, al verticalend in een weekend vangen op de koffie krijg, de pot zou snel leeg zijn...

Deze technieken zijn voor een groot deel overgewaaid uit Amerika waar men ze gebruikte om de neef van onze snoekbaars, de walleye, te vangen. Maar de Yanks zullen verbaasd zijn als ze met eigen ogen zien hoe deze basistechniek in Nederland en België verder verfijnd is door de specialisten die niets liever doen dan experimenteren. We moeten niet denken dat het eenvoudig op en neer laten gaan van zo’n shadje meteen productief is, vergeet het maar. Juist bij deze verfijnde manieren van kunstaasvissen is de presentatie van levensbelang.

We zien dan ook een complete aanpassing van de overige materialen. Zeer gevoelige korte eendelige hengels om te verticalen, zeer dunne dyneema lijnen en lichte molentjes zonder ook maar enige terugslag zodat de haak meteen gezet wordt. Over de boten met elektromotor, GPS, up to date dieptemeters, driftzakken en andere hi tech zullen we het nu maar niet hebben, maar het geeft de hengelsport wel een behoorlijke economische impuls.

Ofschoon er momenteel kant en klare shads met ingebouwd lood, extra stinger haken, geurstoffen en holografische aasvis imitaties, zijn er ook nog heel veel vissers die zelf hun vangende combinatie van loodkop, shad en extra dreggen bij de staart maar sinds kort ook op de kop van de shad, monteren. Ze spuiten het geheel nog met bepaalde lokstoffen in en zo wordt een heel hartige hap vooral aan de snoekbaarzen aangeboden. Ik denk ook dat de nieuwste shads ook meer door snoekbaarsvissers dan door snoekvissers gebruikt worden.Hoewel, ik ving afgelopen seizoen aan de shad die voor een snoekbaars gedacht was een snoek van 99 cm en aan de tandemspinner waarmee ik een knappe snoek wilde vangen, een snoekbaars van 88 cm. “Het kan verkeren”, zei Brederode.


“Ook SNB bestuursleden weten van wanten”

Het wordt nu echt tijd om met dit artikel te stoppen en dat doe ik dan ook maar en als epiloog wil ik nogmaals kwijt dat ook bij de kunstaasvormen die ik in dit artikel heb besproken, het vertrouwen dat men in dit kunstaas heeft, zeer en zeer belangrijk is. Tot voor een jaar viste ik zeer weinig is mijn poldergebied met shads. Maar toen ik in de herfst van 2003 een paar snoekbaarzen wilde vangen, stapte ik van de spinner over op enkele kant en klare shads die ik van Henk Simonsz en Piet Driessen gekregen had. Ik ving daarmee in korte tijd enkele heel mooie snoekbaarzen en ook twee snoeken van rond de 90 cm en dat op water met veel dressuur maar waar echter maar zelden met shads gevist werd.

Juist dan is nieuw of totaal ander kunstaas vaak extra lonend. Ik kom er eerlijk vooruit, alles moet geleerd worden en als ik dan het geluk heb dat ik met shad experts zoals Jouke Jansma, Henk Simonsz, Piet Driessen en Dietmar Isaiasch eens een dag mag vissen, leer ik ook weer veel van hen. Daar durf ik best voor uit te komen en daarom het advies om als men niet goed weet hoe men met de lepel en shad moet vissen, eens met een paar experts, bij de SNB zitten er genoeg, mee te gaan op een praktijkdag. Wie meer wil weten, klikt maar op andere delen van deze SNB website en de rest wijst zich vanzelf.In de volgende en laatste ABC aflevering komen nog enkele minder bekende kunstaasvormen aan bod en dan zijn we net klaar met deze serie, nog effe geduld.

 
< Vorige   Volgende >